Vleermuizen in Alandsbeek
We zijn ons gelukkig steeds meer bewust van de dieren om ons heen en het belang van de bescherming daarvan. In dit artikel vind je meer informatie over vleermuizen in het algemeen en over de specifieke soorten die in onze wijk te vinden zijn.
Soms hebben mensen het idee dat een vleermuis gevaarlijk is, maar dat is echt niet het geval. We kunnen heel blij zijn met vleermuizen, omdat ze heel veel insecten, waaronder muggen, vangen en dus zeer nuttig zijn. Ze zullen nooit tegen je aanvliegen of je aanvallen. Je moet natuurlijk nooit een vleermuis met je blote handen vastpakken, want dan voelen ze zich bedreigd en kunnen dan bijten.
Vleermuizen zijn de enige zoogdieren die echt kunnen vliegen. Er komen in Nederland 19 soorten vleermuizen voor en in Europa 53. De vleermuizen in Europa zijn over het algemeen insecteneters en leven ´s nachts. Om zich te kunnen oriënteren in de nacht maken vleermuizen een ultrasoon geluid die ze via hun mond en soms ook neus uitstoten. Deze manier van oriëntatie wordt ook wel echolocatie genoemd. De geluiden die de vleermuizen maken kaatsen terug op bijvoorbeeld een boom of een lantarenpaal en dat wordt via de zeer gevoelige oren naar de hersenen gebracht waar het omgezet worden in beeld, zo kunnen vleermuizen zien waar ze vliegen. Zien met geluid dus. De geluiden zijn zo hoog dat ze niet hoorbaar voor mensen, gelukkig maar want de herrie is te vergelijken met het geluid van een opstijgende straaljager!
In Leusden komen 8 soorten vleermuizen voor maar we zien maar enkele soorten echt rondvliegen.
Alle vleermuizen in Europa zijn wettelijk beschermd. Dat heeft onder andere te maken met het feit dat ze zeer kwetsbaar zijn. Bijvoorbeeld omdat ze maar 1 jong per jaar krijgen en omdat ze zelf geen nest of schuilplaats kunnen maken. Daarmee zijn ze afhankelijk van bestaande schuilplaatsen zoals spouwmuren.
Gebouw bewonende vleermuissoorten worden op dit moment ernstig bedreigd omdat in een rap tempo schuilplaatsen worden verstoord en ontoegankelijk worden gemaakt zonder dat daar een juiste compensatie maatregel tegenover staat. Ook de afname van het aantal insecten draagt hieraan bij.
Omdat er in de winter weinig insecten zijn, houden vleermuizen een winterslaap. Ze zoeken dan rustige, koele, vorstvrije en vochtige plekken op waar ze zich gedurende de wintermaanden schuil houden. Een vleermuis kan zijn lichaam op de spaar stand zetten, we noemen dit ook wel lethargie, een lichte winterslaap waarbij de vleermuizen hun lichaamstemperatuur temperatuur laten zakken tot aan de omgevingstemperatuur. Ze vertragen hun hartslag en ademhaling, waardoor ze energie besparen. Tussen half maart en half april komt voor de meeste vleermuizen de winterslaap ten einde.
In het najaar is de paartijd. Mannetjes worden erg actief en proberen met stoer gedrag vrouwtjes te lokken. Dit gedrag wordt baltsen genoemd. Iedere vleermuis man heeft hier zijn eigen manier voor. Zo wordt er bijvoorbeeld hard geroepen vanuit boomholtes. Of wordt er een lekkere geur aan een boombast gesmeerd. Andere vleermuizen vliegen weer hard roepend rondjes om zodoende belagers op afstand te houden en de vrouwen te imponeren. Een mannetje paart met meerdere vrouwtjes. Het zaad wordt bij het vrouwtje opgeslagen in speciale klier waardoor het de hele winter in goede conditie blijft. Pas in het voorjaar, als de vrouwtjes weer voldoende insecten hebben verslonden vindt de bevruchting plaats.
Rond de maand mei verplaatsen de vrouwtjes zich naar een kraamverblijfplaats. Deze verblijfplaatsen bevinden zich in gebouwen zoals in spouwmuren van woonhuizen en kerkzolders of in boomholtes. In de kraamverblijfplaats worden jongen geboren. Gemiddeld genomen is de draagtijd 44 dagen. Jonge vleermuizen worden blind en zonder haar geboren en worden gezoogd door de moeder. De oogjes gaan na 3 tot 4 dagen open. Na een week of 4 kunnen ze vliegen en na ongeveer 6 weken zijn de jonge vleermuizen zelfstandig en komt ook hun gebit door. Hierna verlaten ze het kraamverblijf om elders een plek te zoeken.
Alle Nederlandse vleermuizen zijn insecteneters. Een vleermuis moet per nacht een kwart tot een derde van zijn lichaamsgewicht aan insecten eten om gezond te blijven. Voor een vleermuis betekent dat per nacht wel 3000 muggen, motjes en kevertjes. Een gemiddelde kolonie eet per zomer enkele honderden kilo’s insecten. Er zijn geen andere dieren die zoveel nachtinsecten eten. Deze vleermuizen spelen dus een hele belangrijke rol in hun ecosystemen en bewijzen mensen een grote dienst.
De vleermuissoorten in Leusden
Gewone dwergvleermuis
Wetenschappelijke naam: Pipistrellus pipistrellus
Bewoner van Alandsbeek
Dit is de kleinste vleermuis van Leusden en tevens de meest algemene soort die hier voorkomt. De populatie telt ongeveer 1400 dieren. Een volwassen dwergvleermuis weegt tussen de 3,5 en 8 gram en heeft naar verhouding vrij lange, smalle vleugels met een spanwijdte van 18 tot 24 centimeter en is ongeveer 4,5 cm lang.
Het leefgebied van de gewone dwergvleermuis bestaat uit een netwerk van verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden.
Overdag houden ze zich schuil in woonhuizen en andere gebouwen, voornamelijk in spouwmuren. In de avondschemering komen ze naar buiten om op insecten te gaan jagen en dat doen ze tot de zon weer opkomt. In de winter houdt deze vleermuis een winterslaap omdat er dan minder voedselaanbod is. Bij een zachte winter verblijven ze in de spouwmuren, maar bij meerdere dagen vorst verkassen ze vaak naar warmere plekken in grotere gebouwen.
De groepsgroottes variëren van enkele tientallen tot meer dan tweehonderd dieren. Ze overwinteren soms alleen, maar vaak ook in grote groepen.
Gewone dwergvleermuizen zijn plaatstrouw, maar gebruiken meerdere verblijfplaatsen en verhuizen relatief vaak. Ze jagen hoofdzakelijk binnen en straal van 2-5 km van de verblijfplaats.
De gewone dwergvleermuis jaagt op insecten, zoals muggen en nachtvlinders. Ze worden ook wel de kleine acrobaten van de nacht genoemd omdat ze erg wendbaar zijn en een wilde vlucht hebben. Ze jagen in de beschutting van opgaande elementen in groene bebouwde omgeving, langs kanalen, vaarten, in tuinen en parken met vijvers, in lanen, tussen boomkruinen, boven open plekken in bos, langs de bosrand (vooral oude voedselrijke loofbossen), straatlantaarns, in en langs lanen, bomenrijen, singels, houtwallen en holle wegen. Waterpartijen en beschutte oevers zijn favoriet als jachtgebied. Ze vliegen op een hoogte van gemiddeld 2 tot 5 meter.
Kraamkolonies worden in mei gevormd in het gebouwen. Deze kraamkolonies kunnen gedurende de zomer verschillende keren verhuizen binnen een beperkt gebied. Hierbij worden de jongen meegenomen. De grootste kraamkolonie in Leusden die tot nu toe bekend is, bestond uit zo’n 150 dieren. De mannen leven in de kraamperiode gezamenlijk of solitair in zomerverblijfplaatsen.
Laatvlieger
Wetenschappelijke naam: Eptesicus serotinus
Bewoner van Alandsbeek
Dit is op de gewone dwergvleermuis na, de meest voorkomende soort in Leusden. Populatie tot ca. 250 dieren. Dit is een van de grootste vleermuizen van Nederland. Een volwassen dier weegt 15 tot 35 gram en heeft een lengte tot 7 cm. De vleugels zijn relatief lang en breed en hebben een spanwijdte van 32 tot 38 centimeter. Kenmerkend zijn de relatief trage vleugelslag en de langzame vlucht in lange banen met wijde bochten en plotselinge uitvallen.
Hun leefgebied bestaat uit een netwerk van verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. De laatvlieger is plaats- en gebiedstrouw, maar verhuist regelmatig binnen het netwerk.
Overdag houden ze zich schuil in woonhuizen en andere gebouwen, voornamelijk in spouwmuren. In de avondschemering komen ze naar buiten om op insecten te gaan jagen en dat doen ze tot de zon weer opkomt. In de winter houdt deze vleermuis een winterslaap omdat er dan minder voedselaanbod is.
De laatvlieger jaagt boven open tot halfopen landschap, vooral in de beschutting van opgaande elementen zoals bosranden, heggen en lanen. Hij vliegt vaak op 5-10 m. hoogte, maar soms ook wel hoger tussen de boomtoppen. De laatvlieger vliegt meestal op enige afstand van de vegetatie boven (vochtige) graslanden en weilanden, langs kanalen en vaarten, in tuinen en in parken met vijvers. Bij windstil weer wordt het open gebied belangrijker. In dorpen en aan de rand van steden kan men in de schemering laatvliegers rond lantaarnpalen, in tuinen en in parken zien jagen. Soms jagen ze in groepjes.
Laatvliegers vangen insecten hoofdzakelijk uit de lucht, maar pakken soms ook prooien van bladeren of van de grond. Ze vangen voornamelijk grotere soorten nachtvlinders, kevers en muggen.
Deze vleermuis keert tot in tegenstelling van de gewone dwergvleermuis na een halfuur al weer terug naar zijn verblijfplaats om daarna nog een keer uit te vliegen. De laatvlieger jaagt vaak niet meer dan 4 km vanaf zijn verblijfplaats.
Kraamkolonies bevinden zich in gebouwen en worden in mei gevormd. Een kraamkolonie kan bestaat uit 30 à 50 vrouwtjes.
Ruige dwergvleermuis
Wetenschappelijke naam: Pipistrellus nathusii
Bewoner van Alandsbeek
In tegenstelling tot de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger komen we deze vleermuis veel minder tegen in Leusden. De populatie wordt geschat op zo´n 20 tot 30 dieren. Er zijn in de wijk Alandsbeek enkele zomer- en paarverblijfplaatsen gevonden.
De ruige dwergvleermuis is ongeveer 5,5 cm lang, heeft een spanwijdte van 23 tot 25 cm en weegt 6 tot 15,5 gram. De lichaamsverhoudingen en uitstraling zijn vrijwel gelijk aan die van een gewone dwergvleermuis.
Ruige dwergvleermuizen stellen weinig eisen aan een verblijfplaatsen en begeven zich waarschijnlijk ook regelmatig in gezelschap van gewone dwergvleermuizen. Deze vleermuis wordt vaak gevonden in spleten en gaten van bomen of onder loshangend schors waar ze zich overdag schuilhouden. Ook zitten ze zo nu en dan in vleermuiskasten en maar sporadisch in spouwmuren of achter gevelbetimmering van gebouwen.
Ongeveer 50 minuten na zonsondergang vertrekken de ruige dwergvleermuizen op jacht. Ze jagen in een relatief snelle, rechtlijnige vlucht op een hoogte van veelal 2 tot 15 meter en bij voorkeur in het open gebied langs bosranden en boven water en ook boven bospaden en wegen. Ze eten voornamelijk dansmuggen.
Het bijzondere aan deze soort is dat het een uitgesproken trekker is. Ze vliegen daarbij afstanden van 1500 km tot 2000 km. ’s Zomers komen in ons land vooral mannetjes voor. De vrouwtjes van de Nederlandse populatie zitten dan voor het overgrote deel in het oosten van Duitsland, de Baltische staten en Rusland. Daar worden ook de jongen geboren. Vanaf ongeveer midden augustus en in september trekken de vrouwtjes en de opgroeiende jongen richting het westen. Tijdens de trek en treffen ze op deze route de mannetjes in de paarverblijven. In Nederland zijn de mannetjes vooral in augustus en september actief.
De ruige dwergvleermuis overwintert alleen of in kleine groepjes in boomholten, achter boomschors, in stapels brandhout, houtloodsen, spouwmuren en achter stootvoegen van gebouwen. Ze slapen niet vast, waardoor ze tijdens relatief warme perioden in de winter nog wel eens actiever worden. Na inval van strenge vorst kunnen ze verhuizen van bijvoorbeeld een houtstapel naar een gebouw.
Rosse vleermuis
Wetenschappelijke naam: Nyctalus noctula
In tegenstelling tot de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger leeft deze vleermuis over het algemeen in bossen. Ze maken gebruik van holtes in bomen zoals oude specht gaten. Populatie grootte in Leusden is niet exact bekend omdat ze lastig te vinden zijn.
De rosse vleermuis is een van de grootste vleermuizen in ons land. Een volwassen dier weegt 19 tot 40 gram en heeft een lengte van ongeveer 8,5 cm. Ze hebben lange, smalle vleugels met een spanwijdte van 32 tot 40 cm.
Rosse vleermuizen zijn vaak voor zonsondergang actief en zijn ze al jagend tussen zwaluwen te zien. Rosse vleermuizen jagen hoog, vaak op meer dan 100 meter hoogte, in de lucht boven bijvoorbeeld water of moeras. Ze oriënteren zich op onder andere grootschalige landschapselementen zoals de kust, dijken, kanalen, hoogspanningsleidingen of spoorlijnen. Ze vliegen met hoge snelheid in rechte, lange banen waarbij ze plotselinge duikvluchten en uitvallen maken, enigszins vergelijkbaar met een gierzwaluw. Rosse vleermuizen jagen voornamelijk boven open water, moeras, rietland, hooiland en weiland. Ze blijven vaak op relatief grote afstand van bomenrijen en bosranden. Direct na het uitvliegen uit een verblijfplaats jagen de dieren boven een open plek in het bos, langs een bosrand of boven beschutte waterpartijen, weilanden, hooiweides of rietlanden, maar ook in parken en in stedelijk gebied. Vooral in het najaar jagen ze ook graag bij straatlantaarns of boven een verlichte kruising in de bebouwde kom.
De paartijd loopt doorgaans van half augustus tot en met september. De mannetjes stoten in die periode een speciale paringsroep uit. De rosse vleermuis heeft een groot repertoire aan lokroepen en een deel daarvan is hoorbaar voor de mens.
Vanaf april wonen de mannetjes en de vrouwtjes gescheiden van elkaar in de zomerverblijfplaatsen. Deze zomerverblijfplaatsen kunnen wel in hetzelfde gebied gelegen zijn. Als zomerverblijfplaats verkiezen ze voornamelijk boomholtes.
Overdag en om te overwinteren geven ze de voorkeur aan boomholtes of -scheuren van oude dikke bomen en bij uitzondering ook in gebouwen. De rosse vleermuis gaat relatief laat in winterslaap: pas als er strenge vorst op komst is zoeken de rosse vleermuizen hun definitieve winterverblijfplaats op. De winterslaap is kort; van december tot en met februari verblijven ze in hun winterverblijfplaatsen. In groepen van enkele tientallen tot soms vele honderden dieren overleven ze temperaturen onder nul. Het zijn geen stabiele slapers. Langere slaapperioden worden bij zacht weer afgewisseld met fasen waarin grote groepen dieren uitzwermen en soms andere verblijfplaatsen opzoeken.
De rosse vleermuis jaagt op grotere insecten, zoals krekels en sprinkhanen en nachtvlinders. Deze vleermuis maakt tot drie jachtvluchten en kan wel tot 40 meter hoog vliegen met een snelheid van 50 km per uur. Deze vleermuis is vooral in te vinden in ons buitengebieden waar hij boven weilanden jaagt.
Kraamverblijfplaatsen worden van begin mei tot en met eind juli/begin augustus gebruikt. Deze kraamverblijfplaatsen bevinden zich in boomholtes. Een kraamkolonie bestaat uit 20 tot 70 vrouwtjes.
Bruine grootoorvleermuis
Wetenschappelijke naam: Plecotus auritus
De naam doet het al vermoeden maar deze vleermuis heeft extreem grote oren. Die oren zijn 3-4 cm lang en dat is half zo lang als het lichaam. Deze vleermuis is een middelgrote vleermuis met een lichaamsgewicht die ligt tussen de 4,5 gram en 12 gram.
De populatie grootte in Leusden is niet bekend maar hun aanwezigheid is wel vastgesteld door onderzoek met de batdetector waarbij opnames zijn van voorbij vliegende dieren. In kerken in en rondom Leusden zijn keutels gevonden wat de aanwezigheid van deze vleermuis bevestigd. Ook zijn er enkele dieren fysiek aangetroffen in kerken. Ook zijn er bruine grootoorvleermuizen aangetroffen op de Grebbelinie waar ze graag gebruik maakt van de bunkers en kazematten die als winterverblijfplaats zijn ingericht. Tijdens wintertellingen zijn er soms meer dan 20 dieren geteld over de verschillende verblijfplaatsen.
Als deze vleermuis in winterslaap gaat, vouwen ze hun oren tussen de vleugels en hun vacht. De bruine grootoorvleermuis gebruikt veel uiteenlopende verblijfplaatsen zoals zolders, achter gevelbetimmering, daklijsten en vensterluiken maar ook in boomspleten en -holtes en vleermuiskasten.
Kraamkolonies bevinden zich vaak in kerken en gebouwen. Ze vormen vaak groepen van 5 tot 25 dieren tot soms wel 80.
De Grootoorvleermuis kan als een van de weinige vleermuizen stil hangen in de lucht en kan zo insecten van bomenstammen en of bladeren afplukken. Ook heeft deze vleermuizen een groot voordeel op andere soorten vleermuizen want doordat hij gebruikt maakt van fluistersonar kan hij bepaalde nachtvlinders vangen die zich anders zouden laten vallen. Ze kunnen nachtvlinders ook zonder gebruik van sonar opsporen met hun ogen.
Grootoorvleermuizen zijn de pioniers in het betrekken van verblijfplaatsen die net nieuw zijn of recent toegankelijk zijn gemaakt.
Overige soorten vleermuizen in Leusden zijn: watervleermuis, baardvleermuis en franjestaart. Deze soorten komen we tegen in het buitengebied maar soms ook in Leusden zelf. Een aantal soorten maakt in de winter gebruik van bunkers in de Grebbelinie om hun winterslaap te houden.
Belangrijkste bron voor de tekst is Willem Berger van Vleermuizen Werkgroep Leusden en de foto's zijn van Miecon.
